Vaccinatie van het kitten volgens AAHA/AAFP
Omdat wij veel met kittens werken en deze zo gezond mogelijk willen laten opgroeien proberen wij veel te lezen over vaccinaties. Wij hebben de adviezen van de verschillende advies-organisaties geanalyseerd wat betreft katten vaccinaties en de interessante stukken hieronder op een rij gezet. Echter, indien het advies niet de registratie van een Nederlands vaccin volgt, is het niet toegestaan voor een dierenarts in Nederland om dit toch zo maar te doen. Dit is enkel een informatieve pagina.
2020 AAHA/AAFP Feline Vaccination Guidelines
AAHA – American Animal Hospital Association is een Amerikaanse vereniging voor dierenklinieken voor gezelschapsdieren, in de Verenigde Staten en Canada. AAHA keurt klinieken op kwaliteitsnormen en verleent ze een accreditatie. Daarnaast geeft de vereniging richtlijnen uit voor de dierenartsenpraktijk, bijvoorbeeld over vaccinatie.
AAFP – American Association of Feline Practitioners is een Amerikaanse beroepsvereniging voor dierenartsen en dierenartsteams die zich op katten richten. De vereniging begon in 1971 met 25 leden. In september 2024 is ze van naam veranderd: de AAFP heet nu Feline Veterinary Medical Association (FelineVMA). De vereniging ontwikkelt richtlijnen voor de praktijk en educatie over katten. Ze beheert ook het programma Cat Friendly Practice, waarmee klinieken kattvriendelijk kunnen worden.
De volgende adviezen over kattenvaccinaties die zij in de guidelines 2020 hebben gezet, zijn interessant:
Nooit vóór 4 weken
- De vaccinatieserie start niet eerder dan op 4 weken. Neonaten lopen meer risico op ziekte door het vaccinvirus zelf, en reageren ook minder goed op vaccinatie.
- Bij attenuated live vaccins is het risico op ziekte door het vaccinvirus het grootst bij immuungecompromitteerde dieren, zoals kittens jonger dan 4 weken.
- Vaccinatie van drachtige poezen en van kittens jonger dan 4 weken moet worden vermeden, vanwege de theoretische kans op cerebellaire hypoplasie. Dit staat bij de attenuated live FPV-combinatievaccins.
Tussen 4 en 6 weken: alleen in bepaalde situaties
- Huiskatten: parenterale vaccinatie tegen FPV, FHV-1 en FCV niet vóór 6 weken. Alleen het intranasale FHV-1/FCV-vaccin (attenuated live) mag al vanaf 4 à 6 weken, daarna elke 3 à 4 weken tot 16 à 20 weken. Dat vaccin beschermt niet tegen FPV.
- Asielkatten: daar gelden ruimere regels. De eerste parenterale dosis FPV/FHV-1/FCV (attenuated live) mag al vanaf 4 weken, daarna elke 2 weken tot 16 à 20 weken. Ook het intranasale FHV-1/FCV-vaccin mag vanaf 4 weken.
Waarom kittens al jong vatbaar kunnen zijn
De opname van maternale antistoffen via colostrum vindt vooral plaats in de eerste 24 uur. In één onderzoek waren de maternale IgG-waarden het laagst rond 3 à 4 weken, en stegen IgG en IgA sterk tussen 5 en 7 weken. Kittens kunnen dus al rond 1 maand vatbaar zijn voor infecties, mogelijk zo’n 2 weken eerder dan pups. De auteurs benadrukken wel dat de afname van maternale antistoffen sterk per kitten verschilt.
Intranasaal toedienen van vaccins
- Toedieningsweg: een vaccin wordt toegediend zoals de fabrikant het voorschrijft. Injectievaccins zijn bedoeld voor onderhuidse (SC) of intramusculaire (IM) toediening, neusvaccins voor intranasale toediening. Ook voor het vaccinatieschema geldt de bijsluiter.
- Neusvaccins zijn aparte producten: alle vaccins die voor intranasaal gebruik bij katten zijn geregistreerd, zijn levend verzwakte vaccins. Er bestaan in Amerika intranasale vaccins tegen niesziekte (herpes- en calicivirus) en combinaties die ook kattenziekte bevatten. De bescherming tegen kattenziekte via de neus is minder goed dan via een injectie.
- Ziekte door het vaccinvirus: bij levend verzwakte vaccins kan het vaccinvirus via de slijmvliezen soms zelf ziekteverschijnselen geven. Dit komt weinig voor. Het kan gebeuren na intranasale toediening van vaccins tegen niesziekte, en wanneer een kat injectievaccin dat op de vacht is gelekt via de mond binnenkrijgt.
- Andersom geldt hetzelfde: een neusvaccin, zoals dat tegen Bordetella, mag nooit worden ingespoten.
Het in de neus druppelen van een injectievaccin valt dus buiten de toedieningsweg waarvoor het vaccin is geregistreerd.
Hoe vroeg beginnen met vaccineren?
De ondergrens: niet vóór 4 weken
Kittens jonger dan 4 weken worden niet gevaccineerd. Hun afweer is nog onvoldoende ontwikkeld: ze reageren slecht op een vaccin en lopen meer risico om ziek te worden van het vaccinvirus zelf. Bij levend verzwakte vaccins tegen kattenziekte bestaat daarnaast een theoretisch risico op cerebellaire hypoplasie. Daarom worden ook drachtige poezen hier niet mee gevaccineerd.
Waarom het startmoment ertoe doet
Een kitten krijgt antistoffen van de moeder vooral in de eerste 24 uur via de biest. Die antistoffen beschermen, maar blokkeren ook de werking van een vaccin. Hoe snel ze afnemen, verschilt sterk per kitten. Bij sommige kittens zijn ze rond 3 à 4 weken al laag, waardoor die kittens al vanaf ongeveer een maand vatbaar kunnen zijn. Andere kittens houden ze maandenlang. Omdat dit niet te voorspellen is, wordt er niet één keer gevaccineerd maar in een serie.
Kittens in een gewone thuissituatie
- Injectievaccin tegen kattenziekte en niesziekte: niet eerder dan op 6 weken, daarna elke 3 à 4 weken tot 16 à 20 weken.
- Neusvaccin tegen niesziekte: kan al vanaf 4 à 6 weken, daarna elke 3 à 4 weken tot 16 à 20 weken. Dit vaccin beschermt niet tegen kattenziekte.
- Kattenleukemie (FeLV): vanaf 8 weken, twee vaccinaties met 3 à 4 weken ertussen.
- Rabiës: volgens de bijsluiter en de geldende wetgeving.
Kittens met een hoog besmettingsrisico
In situaties met veel katten bij elkaar en veel wisselingen, zoals een asiel, kan eerder worden begonnen: met een levend verzwakt injectievaccin tegen kattenziekte en niesziekte al vanaf 4 weken, daarna elke 2 weken tot 16 à 20 weken. Een vroege start en korte tussenpozen verkleinen de periode waarin de antistoffen van de moeder het vaccin al tegenhouden maar het kitten niet meer beschermen. Een tussenpoos korter dan 2 weken wordt afgeraden, omdat dat de opbouw van bescherming kan verstoren.
Levend verzwakte vaccins geven sneller bescherming dan geïnactiveerde vaccins. Daarom gaat bij een hoog risico de voorkeur naar levend verzwakt.
Afweging per kitten
Het startmoment hangt af van het besmettingsrisico van het individuele kitten. Huishoudens met veel katten, fokkerijen, pensions en opvanghuizen hebben een hoger risico dan een huishouden met één of twee katten. Een kitten moet bij voorkeur gezond zijn bij vaccinatie, maar een andere aandoening is niet altijd een reden om niet te vaccineren.
Moet je kittens die geen moedermelk hebben gehad de eerste dagen, eerder vaccineren?
- Ook zonder maternale antistoffen niet vóór 4 weken: de ondergrens van 4 weken blijft gelden. Neonaten reageren slecht op vaccinatie en lopen meer risico om ziek te worden van het vaccinvirus zelf. Bij levend verzwakte vaccins tegen kattenziekte is er daarnaast het theoretische risico op cerebellaire hypoplasie bij kittens jonger dan 4 weken.
- Vaccinatie zonder maternale antistoffen: voor de situatie waarin geen maternale antistoffen aanwezig zijn, geldt het volgende:
- Bij geïnactiveerde vaccins zijn twee doses met 3 à 4 weken ertussen nodig. Rabiës is de uitzondering, daar is één dosis genoeg.
- Bij levend verzwakte vaccins kan één dosis voldoende zijn. Is de kans op besmetting groot, dan zijn twee doses met 3 weken ertussen aan te raden.
- Levend verzwakte vaccins geven sneller bescherming; tegen kattenziekte kan al binnen enkele uren gedeeltelijke bescherming ontstaan.
Als 1 kat ziek wordt, heeft het dan zin om de andere kat(ten) te vaccineren met spoed?
Wat helpt bij een verhoogd besmettingsrisico
- Kies een vaccin dat snel werkt. Levend verzwakte vaccins geven sneller bescherming dan geïnactiveerde. Tegen kattenziekte kan na één dosis van een levend verzwakt vaccin al binnen enkele uren gedeeltelijke bescherming ontstaan. Bij een geïnactiveerd vaccin ontstaat de bescherming pas 7 à 10 dagen na de tweede dosis, en volledige bescherming soms pas 2 à 3 weken na de laatste dosis.
- Overweeg een neusvaccin tegen niesziekte. Dat geeft sneller bescherming tegen luchtweginfecties, juist bij kittens en bij een hoog risico. Het kan al vanaf 4 weken en is samen met een injectie tegen kattenziekte te geven. Maternale antistoffen hinderen neusvaccins in het algemeen minder.
- Vroeger starten en kortere tussenpozen. In een omgeving met een hoog risico kan de serie al vanaf 4 weken beginnen, met elke 2 weken een vaccinatie. Zo blijft de kwetsbare periode zo kort mogelijk. Houd minstens 2 weken tussen twee vaccinaties.
Kanttekeningen
- Vaccineren is geen behandeling. Een kat die al besmet is, wordt door vaccinatie meestal niet beter. Er is alleen beperkt bewijs dat een neusvaccin tegen niesziekte bij chronische klachten kan helpen.
- Bij jonge kittens kunnen maternale antistoffen een injectievaccin nog blokkeren. Een snelle vaccinatie is dan geen garantie.
- Kittens jonger dan 4 weken worden niet gevaccineerd. Drachtige poezen krijgen geen levend verzwakt vaccin tegen kattenziekte.
- Een neusvaccin kan zelf tijdelijk niesklachten geven. Die zijn moeilijk te onderscheiden van een echte infectie.
- Het vaccin tegen niesziekte voorkomt een besmetting niet altijd. Het maakt de ziekte vooral minder ernstig. Het vaccin tegen kattenziekte beschermt veel beter.
- Een kat hoort gezond te zijn bij vaccinatie, al is een andere aandoening niet altijd een reden om het niet te doen.
Niet alleen vaccineren
Omdat de bescherming door vaccinatie wisselt en nooit volledig is, moet vaccineren worden gecombineerd met maatregelen die het contact met de ziekteverwekker beperken, zoals scheiden en hygiëne.
Vaccins tegen verschillende soorten niesziekte
- Calicivirus met twee stammen: geïnactiveerde injectievaccins met twee calicivirusstammen geven mogelijk een bredere kruisbescherming dan vaccins met één stam.
- Vaccins zijn niet zomaar uitwisselbaar: vaccins tegen dezelfde ziekteverwekker, ook van verschillende fabrikanten, zijn niet automatisch gelijkwaardig. Verschillen in productie, toegevoegde stoffen zoals adjuvans en toedieningsweg beïnvloeden de werkzaamheid, de veiligheid en hoe lang de bescherming duurt.
- Wat het vaccin doet: vaccins tegen het herpesvirus en het calicivirus voorkomen een besmetting niet altijd, maar verminderen vooral de ernst van de klachten. Het vaccin tegen het herpesvirus geeft een zwakkere bescherming dan het vaccin tegen kattenziekte.
- Bescherming is niet te meten met antistoffen: een antistoftest zegt bij herpes- en calicivirus weinig over de bescherming, omdat daarvoor ook de cellulaire afweer nodig is. Zo’n uitslag is dus geen goede basis om te bepalen of een kat gevaccineerd moet worden.
- Injectie of neus:
- Injectievaccins worden na de kittenserie en de herhaling op 6 maanden elke 3 jaar herhaald. Neusvaccins elk jaar.
- Neusvaccins geven sneller bescherming en zijn nuttig bij stressvolle situaties, zoals een verblijf in een pension. Ze kunnen wel tijdelijk niesklachten geven.
- Er zijn aanwijzingen dat een neusvaccin tegen niesziekte ook klachten door de bacterie Bordetella vermindert, en dat het bij sommige katten met chronische luchtwegklachten verbetering geeft. Het bewijs daarvoor is nog beperkt.
Bijwerkingen en allergische reacties
Hoe vaak komt het voor
- Bijwerkingen na vaccinatie zijn zeldzaam. Waarschijnlijk worden ze wel te weinig gemeld, door dierenartsen en eigenaren.
- In een groot Amerikaans onderzoek kregen ongeveer 500.000 katten samen meer dan 1,25 miljoen vaccinaties. Ongeveer 0,5% van de katten kreeg binnen 30 dagen een bijwerking.
- Het risico was het grootst bij katten van rond een jaar oud. Het nam ook toe naarmate er meer vaccins tegelijk werden gegeven en de totale hoeveelheid vaccin groter was.
- Een anafylactische reactie (type I) is zeldzaam: ongeveer 1 tot 5 per 10.000 vaccinaties.
Signalen van een ernstige allergische reactie
Braken, diarree, ademhalingsproblemen, jeuk aan de kop of over het hele lichaam, een opgezwollen kop en collaps. Ook andere typen overgevoeligheidsreacties (type II, III en IV) komen vrijwel zeker voor bij katten, maar ze worden zelden vastgelegd.
Opnieuw vaccineren na een allergische reactie
- Vaccineer alleen opnieuw als dat echt nodig is, en weeg de voor- en nadelen af. Een eerdere bijwerking telt mee bij het opstellen van het vaccinatieplan en bij de keuze voor het type vaccin.
- Gebruik dan een andere vaccinformulering.
- Geef 20 à 30 minuten vooraf een antihistaminicum en een glucocorticoïd.*
- Houd de kat daarna enkele uren goed in de gaten.
*) dit voelt tegenstrijdig, een glucocorticoid toedienen. We hebben daar meer research naar gedaan:
Bij paarden: een studie met een eenmalige dosis dexamethason
Dit onderzoek komt het dichtst bij jouw vraag. Paarden kregen tegelijk met de vaccinatie één intraveneuze dosis dexamethason van ongeveer 0,05 mg/kg. Hun antistoffen tegen influenza stegen nog steeds significant, net als bij de paarden die alleen het vaccin kregen. Bij drie doses op drie opeenvolgende dagen was die stijging er niet meer. De onderzoekers concluderen dat het effect afhangt van hoe vaak je doseert en van de ziekteverwekker.
(Bron: Kreutzfeldt N, Chambers TM, Reedy S, Spann KM, Pusterla N. Effect of dexamethasone on antibody response of horses to vaccination with a combined equine influenza virus and equine herpesvirus-1 vaccine. Journal of Veterinary Internal Medicine 2024; 38(1): 424–430. doi.org/10.1111/jvim.16978)
Bij mensen: meer onderzoek, hetzelfde patroon
- Bij een lage dosis prednison, minder dan 7 mg per dag, blijft de reactie op vaccins behouden. Bij een hoge dosis, meer dan 20 mg per dag, zijn de antistoffen lager. Daartussen is het onduidelijk.
(Bron: Glucocorticoid dosing and implications for vaccination: Evolution of global definitions. Clinical Infectious Diseases, online vóór publicatie. publications.petermac.org/Publications/3652) - Een korte behandeling met corticosteroïden geldt in de humane richtlijnen meestal niet als reden om niet te vaccineren. Een hoge dosis gedurende 14 dagen of langer wordt wel als immunosuppressief gezien.
(Bron: CDI Quality Institute. Summary of immunization recommendations regarding steroids, 2016. Pdf)
Het interval tussen boosters
Elke 2, 3 of 4 weken?
Er is niet één interval dat altijd het beste is. De keuze hangt af van het besmettingsrisico.
Waarom een korter interval kan helpen
Tijdens de kittenserie is er een kwetsbare periode: de antistoffen van de moeder blokkeren het vaccin al, maar beschermen het kitten niet meer tegen een echte besmetting. Hoe korter de tijd tussen twee vaccinaties, hoe korter die kwetsbare periode duurt.
De ondergrens: 2 weken
Een interval korter dan 2 weken kan de opbouw van bescherming juist verstoren, vooral bij levend verzwakte vaccins. In het algemeen ligt het interval daarom tussen 2 en 4 weken, en loopt de serie door tot 16 à 20 weken.
Per situatie
- Huiskatten: injectievaccin tegen kattenziekte en niesziekte vanaf 6 weken, elke 3 à 4 weken, tot 16 à 20 weken.
- Hoog risico, zoals in een asiel: vanaf 4 weken, elke 2 weken, tot 16 à 20 weken.
Geïnactiveerde vaccins
Bij geïnactiveerde vaccins is een interval van 3 à 4 weken nodig voor een goede basisimmuniteit. Na de vaccinatie die aanslaat, volgt idealiter 3 à 4 weken later nog een booster.
Fokkerijen en huishoudens met veel katten
Fokkerijen en huishoudens met veel katten hebben een verhoogd besmettingsrisico. Afhankelijk van het risico kan daar een korter schema zinvol zijn.